
‘Geloof je?’ vroeg Jan aan zijn gesprekspartner Thomas. Die zette zijn glas neer, nam met geheven kin een trek van zijn sigaret en zei: ‘Neen. Als het in een god is, zoals je waarschijnlijk bedoelt, in geen geval. Religie is opium voor het volk en als je enkele boeken van belang gelezen hebt, dan bedenk je vanzelf wel dat het onzin is om in één of andere god te geloven.’ Hij nam nog een trek en speurde het café af naar wat bereidwillig moois.
Jan ging op zijn ellebogen steunen en keek Thomas aan. ‘Je spreekt in clichés, beste.’
‘En dan?’ antwoordde Thomas geïrriteerd. ‘Achter die uitspraken schuilt een grond van waarheid, namelijk, dat er niet zoiets als God bestaat. Dat is duidelijk. Het zou de mensheid een hoop leed bespaard hebben als iedereen net zo dacht als ik.’ Opnieuw leidde het volk in het café zijn aandacht af en terwijl hij oogcontact zocht met een brunette enkele tafels verder probeerde Jan Thomas’ gevoel van superioriteit te doorbreken.
‘Religie is samen met het vuur de grootste uitvinding van de mens. Een hulpmiddel om door moeilijke tijden te komen enkel en alleen met wat hersenen!’
Thomas had het niet gehoord en er viel een stilte.
‘Ik ken een verhaal, als je geïnteresseerd bent wil ik je het wel vertellen. Een verhaal over een pvc-magnaat die met zijn vrouw een reisje ging maken naar Algerije. Kun je het opbrengen?’
Thomas knikte en gebaarde met zijn hand dat Jan zijn gang kon gaan.
Jan begon: ‘Om hun huwelijksverjaardag te vieren en om even verlost te zijn van hun kleine huilebalk van drie maanden oud, hadden een rijke pvc-magnaat en zijn echtgenote een last-minute reisje gepland naar Algerije. Hun zoontje, dat net op flessenvoeding was overgeschakeld, hadden ze bij een goede au pair achtergelaten, dus ze konden met een gerust hart vertrekken. Eens aangekomen was hun voornaamste bezigheid het opsnuiven van de sfeer in de bazaars en het genieten van de zon aan de Middellandse zee. Het hoogtepunt van hun reis zou echter de tweedaagse jeeptocht worden die ze onder begeleiding van een persoonlijke gids zouden maken door het Atlasgebergte en de Sahara. Het koppel verheugde zich al op het avontuur sinds ze het geboekt hadden, de eerste dag na aankomst in het hotel.
Zo vertrokken ze in een oude maar degelijke pick-up richting hun eerste bezienswaardigheid: een berberdorp gelegen aan een wadi die omgeven was door oranje rotsen. Het echtpaar kreeg er thee en uitleg aangeboden over de levenswijze van dit traditionele volk. ’s Avonds had de gids hen naar een afgelegen plek in de woestijn gebracht waar hij een typische nomadentent opzette voor hen, zelf sliep hij in de pick-up. Net voor zonsondergang beklommen ze een duin en sloegen er het schouwspel gade dat zich voltrok aan de horizon.
‘Dit is prachtig,’ zei de vrouw, ‘je zou haast geloven...’ Ze aarzelde even, keek naar haar man en vervolgde. ‘Je zou haast geloven in God.’
‘Onzin,’ reageerde de man ontzet, ‘Die schoonheid heeft in de verste verte niets te maken met een god. Het is slechts het rode spectrum van het licht dat zich een weg baant door de ozonlaag of de zwaartekracht of zo. Mooi, maar zeker niet goddelijk. Hoe kom je erbij zo’n opmerking te maken?’ De vrouw zweeg en staarde verder naar de zon tot die helemaal onder was gegaan. Haar man was ondertussen al naar beneden gelopen om de slaapzakken uit te pakken en de luchtmatras uit te testen. Toen ze even later zwijgend de tent binnenstapte en haar man haar stemming opmerkte, vroeg hij haar waarom ze zo bedrukt was.
‘Heb jij dan nooit een religieuze ervaring?’ vroeg ze hem na wat aandringen.
‘Nee, nooit. We zijn hier alleen en we moeten het maar zien te redden.’
Ze dronken nog wat thee en gingen slapen.
De volgende morgen werden ze vroeg gewekt door een enorme knal die enkele tellen tussen de duinen bleef hangen. Het echtpaar rende uit hun tent en zag hoe de jeep in lichterlaaie stond. De gids was een verstokte roker en had staan roken terwijl hij het benzinepeil controleerde; in de handen van het zwaar verbrande lijk kleefde nog een gesmolten aansteker. Toen het tot het echtpaar doordrong dat al hun proviand zich in de pick-up had bevonden, begon de vrouw te panikeren en vroeg haar man om oplossingen. Zich verschuilend achter een geacteerde stoïcijnse kalmte, keek hij eerst naar z’n gsm, die geen bereik had, en stelde toen voor om te wachten op de nacht om dan terug naar de weg te lopen. Ze pakten hun rugzakjes met wat ze nog aan eten vonden en wachtten in de tent op de nacht om in alle koelte naar de vermeende plaats van de weg te lopen. Zij hadden echter niet op de duisternis van de Saharische nacht gerekend en liepen verdwaald. Tot overmaat van ramp raakte de gsm-batterij leeg en was het beetje water dat ze met zich mee hadden genomen, de volgende morgen al op.
Na die nacht werd er nog vier dagen geleefd.
Het voedsel dat ze gevonden hadden in de tent en rond de ontplofte jeep bestond uit tien gedroogde dadels en wat koekjes. Alles raakte op tijdens de eerste dag. Gelukkig was er ondertussen een andere bron van voeding ontsprongen aan het lichaam van de vrouw. Twee donkere vlekken begonnen zich af te tekenen ter hoogte van haar tepels; na de tweede donkere nacht in de woestijn waren haar borsten beginnen te druipen van de melk. De watjes die dit normaal verhielpen waren doordrongen en boden geen oplossing meer.
Al snel werd duidelijk dat zij niet kon drinken van haar eigen melk, waarop de man zichzelf aanlegde en het verzamelde in zijn mond om het vervolgens in haar mond over te gieten. Maar in zijn dorst, honger en gulzigheid slikte hij hierbij de ene keer een klein, dan waar een aanzienlijk deel van het bij mondjesmaat verkregen voedsel in. De arme vrouw werd letterlijk leeggezogen door haar man; ze zweette de hele dag onder de brandende zon, ze produceerde voedsel voor twee volwassen personen en ontving hiervoor haast niets in de plaats. Zo gebeurde het dat zij in de vierde avond na de ontploffing stierf aan de gevolgen van uitputting en uitdroging.
Toen ze haar laatste adem had uitgeblazen, werd de man overvallen door een angstaanjagend gevoel van eenzaamheid. Het besef van schuld aan haar dood drong langzaam tot hem door en in een waan van hysterisch verdriet krabde hij zich de verbrande huid open en krijste hij de onmetelijkheid van de nachtelijke hemel in, op zoek naar een aanhechtingspunt voor zijn lijden.
De volgende morgen, verstard in een emotionele leegte, baarde hij haar op in een nis van een rots, kuste haar vaarwel en beklom diezelfde rots tot op de top. Daar gezeten werd hij verzwolgen door de donkerblauwe hemel en zijn wonden voelden het branden van de zon van oost naar west.
Bij zonsondergang bad hij om vergiffenis voor zijn zonden tot iets waarin hij nooit geloofd had en sprong toen. Hij stierf exact een dag na zijn vrouw.’
De korte stilte die volgde op Jans verhaal werd verbroken door Thomas.
‘Dat noem ik niet bepaald een argument om religie goed te keuren. Als je me even wilt excuseren, ik zou nog iets moeten regelen.’ Hij stond op en stapte naar de glunderende brunette. Jan dronk zijn glas leeg en vertrok. Een leeg appartement wachtte hem immers op.
Door de aanhoudende koortsdroom van haar vriend, werd Gerards zwangere echtgenote Helena uit haar slaap gerukt en terwijl ze uit bed sprong en hem uit zijn waan probeerde te schudden, begon haar acht maanden oude vrucht als gevolg van de schrik uit volle macht tegen haar baarmoederwand te trappen. Ze kromp in elkaar van de pijn en zakte kermend neer naast het bed. Gerards ademhaling werd steeds onregelmatiger, tot die uiteindelijk helemaal ophield en Gerard achterover op de grond viel. Enkele ogenblikken later werd hij wakker. Zijn luchtwegen barstten open en hevig naar lucht happend lag hij plat op zijn rug; straaltjes koud zweet rolden over zijn hals en borst op het tapijt. Hij zette zich rechtop en staarde met wijde pupillen de kamer in, maar hij kon zich onmogelijk oriënteren in de donkere ruimte. Tastend in het rond voelde hij een bed, maar de manier waarop hij zich ten opzichte van dit bed bevond, deed hem zo bevreemdend aan dat hij eraan twijfelde of het zijn bed wel was. Alles stond anders. De kamer leek vervormd te zijn door de naweeën van zijn droom. Net op het moment waarop hij recht wilde gaan staan, voelde hij een hand het haar uit zijn ogen strijken. Gerard schrok, struikelde en botste met zijn hoofd tegen de schouwmantel.
‘Gerard, stop het, je maakt me verschrikkelijk bang!’ Riep Helena ergens vanuit het duister. Ze stond recht en stak het licht aan. In een oogopslag was Gerard terug in de herkenbare omgeving waaruit hij zopas slechts enkele seconden scheen verdwenen te zijn.
Nadat Helena hem had afgedroogd, begon Gerard al wat meer kleur te krijgen. Ze nam een badhanddoek uit de kast en spreidde hem open over Gerards plaats in het bed zodat hij niet op de klamme plek zou hoeven te slapen.
‘Waarover heb je nu gedroomd?’ vroeg Helena bezorgd aan haar man toen ze allebei terug in bed lagen. Gerard probeerde zich de beelden te herinneren, maar het was vooral het angstaanjagende gevoel dat die beelden bij hem teweeg hadden gebracht dat hem bijgebleven was. Hij ademde diep en probeerde woorden te vinden voor wat hij gezien had.
‘Ik reed met de fiets over een grindpad.’ Begon Gerard met zachte neutrale stem, alsof hij uitlegde hoe hij eenden in het stadspark broodkruimels had staan voederen. ‘Het was winter en het pad lag te midden een uitgestrekte vlakte en was bezaaid met dode takken en plekjes sneeuw, het rook er sterk naar vochtige aarde en stilstaand water. De lucht was ijzig koud en in een hand hield ik een wriemelende bruine zak vast die voortdurend uit mijn hand dreigde te glippen. Er zaten wel tien kleine katjes in, nog geen week oud en volledig hulpeloos. Ze miauwden om hun moeder maar het kon me allemaal niet schelen, zo leek het. Ik was ongevoelig voor hetgeen die beestjes te wachten stond en had een vastbesloten gevoel ze allemaal dood te maken. Ik reed tot aan een kanaal waarover een brug lag en ging er in het midden op gaan staan. Met een zwiep haalde ik de zak van m’n schouder, hield hem over de reling boven het water en op het moment dat ik de zak liet vallen, wikkelde het touwtje zich er van rond zodat de inhoud tijdens de val tevoorschijn kwam. Wat uit de zak kwam waren echter geen kleine katjes, maar onze pasgeboren baby, nog steeds verbonden aan de navelstreng en de moederkoek. Het kind smakte met een plons op het oppervlak en verdween in het ijskoude water. Ik raakte in paniek omdat ik niet de katten, maar m’n eigen kind aan het vermoorden was en rende naar de oever. Toen ik daar aangekomen was, waren al mijn kleren plotseling verdwenen en stond ik volledig naakt en tot aan mijn knieën in de halfbevroren modder. Ik liep door het gele, dode, prikkende riet tot ik op een gegeven moment tot aan mijn kin in het water zat. De kou beet in alle delen van mijn lichaam en ik voelde me keer op keer bewusteloos vallen, maar dat gebeurde net niet. Ik ging kopje onder en zwom in het donkergroene water dat, nu ik ondergedompeld was, schijnbaar zonder diepte en einde leek te zijn. Uit het niets zag ik geleidelijk aan een kleine vaalwitte schim opdoemen. Ik zwom ernaartoe en zag dat het onze baby was, stil in het water hangend, met opengesperde zwarte ogen en een uiterst serene en wijze uitdrukking op zijn gezicht. Het kind opende zijn mond om iets te zeggen maar op dat moment spatte het uiteen in duizenden wriemelende visjes die aan mij begonnen te knabbelen. Ze begonnen te eten van mijn ogen, oren, mond, neus en de ruimtes tussen mijn tenen en vingers, maar ook aan mijn piemelgaatje en aan mijn kont. Ze aten zich een weg naar binnen en aanvankelijk kriebelde dat wat, maar uiteindelijk werd het een helse zenuwpijn. Ik schreeuwde om hulp, maar verslikte me in het water dat ik tijdens het roepen naar binnen zoog. Ik verdronk en ging dood. Er ging een eeuwigheid voorbij en ik zag mezelf als een uiteengevreten kadaver naar de oppervlakte stijgen. Toen werd ik wakker.’
In de stilte die ontstond na het vertellen van zijn droom, trok Helena hem zo dicht tegen haar aan als haar buik dat toeliet. Het kind binnenin was ondertussen gekalmeerd en dreef nu rustig in het vruchtwater.
‘Ik zit er ook constant maar over na te denken, hoe het allemaal mogelijk is dat uit wat banale seks – want dat is wat het na verloop van tijd wordt, als je begrijpt wat ik bedoel – zo iets complex als een kind kan ontstaan.’ Zei Gerard en hij draaide zich op een zij naar haar toe.
‘Toen ik voor het eerst masturbeerde en klaarkwam, dacht ik een visioen ontvangen te hebben, maar zoveel jaren later is een orgasme nog slechts een fractie van dat gevoel van vroeger. Het is nog steeds het leukste wat er bestaat en het innigste wat ik kan beleven en toch lijkt het of mijn gevoelens voor mijn ogen aan het verdoffen zijn. Het leven lijkt mij steeds meer op een storm die alle tv-antennes van de daken blaast; ik ben de huizen. Zodoende kan ik mij niet meer verwonderen over wat er om me heen te zien is, maar val ik steeds weer terug op wat binnenskamers in mijn hoofd gebeurt. En dan zal de kleine komen en als een kristallen kist vol fijngevoelige meetapparatuur de wereld in zich opnemen, en moeten wij, muffe arme zielen, hem daarin begeleiden. Zoiets als een blinde gids in een kunsthistorisch museum. Erbarmelijk allemaal.’
Hij ging terug op zijn rug liggen en zuchtte.
‘Hoe moeten we hem in godsnaam opvoeden? Stel dat ons kind in zijn eerlijke naïeve nieuwsgierigheid zo’n vraag stelt waar we gewoon van achterover vallen, wat moeten wij dan antwoorden? En moet ik het de waarheid vertellen voor zover die al bestaat? Wat heeft zo’n kind nodig?’
Na die laatste vraag ging Helena over Gerard hangen. De diepte waarmee ze in zijn ogen keek verraadde het enige antwoord op al zijn vragen. Ze kuste hem en zei:
‘Liefde, schat, Liefde is het enige wat we ons kind moeten geven, het enige wat we het kunnen geven.
Ze kuste hem nog eens en ging toen liggen. Gerard voelde hoe hij wilde huilen van verslagenheid, van het geluk vanwege die verslagenheid. In één zin had zijn vrouw, al zijn bekommernissen doen vervagen tegen de lichte gloed van haar moederlijk oergevoel voor toewijding. Hij sloot zijn ogen en begroef zich, naast zijn zwangere vrouw, in de kleinheid van zijn bevattingsvermogen.
‘Ah Pedro!’
Alex riep zijn vriend toe die aan de andere kant van de straat aan het wandelen was. Het was vier uur ’s nachts, miezerig novemberweer en bovendien bevonden ze zich in Antwerpen.
Alex was op het moment dat hij Pedro zag lopen, net in zijn auto aan het kruipen om terug naar Herk-de-Stad te rijden waar hij woonde.
Alex liep de straat over en begroette zijn goede vriend uitgebreid.
‘Vreemd je hier tegen het lijf te lopen. Wat doe jij in hemelsnaam zo laat nog in Antwerpen?’
Maar op het ogenblik dat hij het zei viel hem het kleine donkerharige mensje op aan Pedro’s arm. Het was blijkbaar een Zuidoost-Aziatische deerne van één meter vijfenveertig die hij ergens opgescharreld had en daarmee een leuke tijd had beleefd.
‘This here, Mai-Ho, is my good friend Alex. Alex, this is my girlfriend Mai-Ho from Cambodja. Say hello Mai-Ho.
Hello Alex. How are you?
Fine, Fine, nice to meet you euhm, hoe heet je vriendin ook alweer?
Ze heet Mai-Ho en zeg gerust alles wat je wilt, ze verstaat geen woord Nederlands en zeker geen Limburgs.
Nice to meet you Mai-Ho.’ Herhaalde Alex zijn groet en vervolgde zijn praatje met Pedro. ‘Je vriendin heeft haar naam wel goed weten te kiezen moet ik zeggen.’
De twee mannen gniffelden vettig.
‘Zeg, we moeten dringend eens bijpraten, maat. Het is waarschijnlijk twee jaar geleden dat we elkaar nog eens gezien hebben en dan kom ik je zo tegen in een godverlaten straatje midden in Antwerpen.’
Hij en Pedro hadden samen gestudeerd aan de universiteit van Hasselt en hadden er ongelofelijke tijden beleefd. Met enkele andere vrienden hadden ze een clubje opgericht dat ludieke activiteiten deed in Vlaamse steden. Zo hadden ze eens twee varkens verkleed in een zwart-geel gestreepte pyjama en deze vervolgens vrijgelaten op de Brusselse Heizel. “Houd de dief!” roepend hadden ze rond het Atomium achter de beesten aan zitten lopen tot uiteindelijk de politie erbij kwam en het boeltje moest worden stopgezet.
In Gent hadden ze, verkleed als parasoldaten, het nachtelijk Citadelpark voor dolende aarsridders onveilig gemaakt. In Brugge hadden ze gekleed met slecht één enkele sok een namiddag gebierfietst en in Antwerpen hadden ze er niets beter op gevonden om naast enkele Nederlanders te staan kotsen tegen de kathedraal. Deze goedlachse mannen waren dus voor geen domme stoot vervaard en besloten om alles nog eens op te halen, nog een cafeetje te zoeken dat nog open was en er alsnog een pintje te drinken.
‘Baby, what we are about to do now? I want to sleep.’ vroeg Mai-Ho aan Pedro.
‘Do you please want to shut up? Me and my good friend Alex will drink and talk for a while. You should go to the car and wait there for me ‘till I’m back. Okay?’
Zonder te wachten op haar antwoord draaide hij zich naar Alex en liet haar achter in de motregen onder het oranje licht van een lantaarnpaal.
‘I don’t remember the place where we left the car!’ Riep ze hem toe.
‘Then search!’ Antwoordde Pedro en zei tot Alex: ‘Vraag dat wijf om haar teennagels te knippen ze zou het nog niet kunnen, gelukkig deugt die teef voor andere dingen.’
Ze lachten.
‘Is ze altijd zo gemakkelijk?’
‘Ja, ze komt uit een strontgat ergens in de bossen van Thailand, ze is doodgelukkig met een westerse man te mogen neuken.’
‘Daarnet zei je nog dat ze uit Cambodja kwam.’
‘Ja, daar ergens, ik ben er twee maand op reis geweest, weet ik veel waar ik ze opgescharreld heb. Maar geef toe, ze is toch wel een lekker ding, niet?’
Bevestigend mompelend ging Alex Pedro voor in een klein, rokerig café en bestelde er twee pintjes. Ze praatten er wat over Mai-Ho, over Jekatarina, het lief van Alex, over neuken met die twee, over een mogelijke partnerruil, over het werk, reizen, voetbal, sitcoms van vroeger en nu, enzovoort. Kortom, ze kletsten wat bij zoals mannen wel vaker bijkletsen. Toen ze al enkele pintjes hadden gedronken en er een korte stilte viel, schraapte Alex zijn keel en begon:
‘Euhm Pedro, ik wilde je eigenlijk al heel de avond iets vertellen, maar ik wist niet in hoeverre je nog steeds dezelfde bent als vroeger en je dus nog steeds met dezelfde dingen kunt lachen als toen.’
Pedro fronste zijn wenkbrauwen en er verschenen lichtjes in zijn ogen en een glimlach om zijn mondhoeken.
‘Wat wil je zeggen?’
‘Wel, vanavond wilde ik terug naar huis rijden na een feestje bij een gemeenschappelijke vriend van Jekatarina en mij. Zij kon niet mee want ze zit in Minsk zoals ik al gezegd heb. Dus ik reed de straat uit met een geweldige rotvaart en net op het moment dat ik die straat uitrij fietst er een meisje voorbij en ik rem, maar rij toch dat konijn omver. Ik stap uit en zie dat ze niet meer beweegt. Ik raap haar van de grond, zet haar fiets aan de kant en stop haar in de kofferbak.’
Geboeid staarde Pedro hem aan en vroeg:
‘Ze was toch niet dood?’
‘Nee, ze leeft nog en ze heeft, denk ik, niets gebroken.’
‘Heeft iemand je gezien? Waarom heb je haar meegenomen?’
‘Daar wou ik net toe komen,’ legde Alex uit, ‘dat meisje is namelijk geen gewoon meisje. Ze heeft geen vijf borsten of een arm op haar hoofd of zo, ze is bloedmooi, maar er zijn geweldige dingen mee te doen. Dus dacht ik, nu niemand kijkt, neem ik haar toch gewoon even mee.’
‘Wat valt er mee te doen? Wie is dat meisje?’ Vroeg Pedro met vurige nieuwsgierigheid.
‘Dat zul je zien.’
Alex dronk zijn pint in één teug leeg, Pedro volgde zijn voorbeeld en samen liepen ze naar buiten richting Alex’ auto.
‘Denk je niet dat ze ondertussen wakker is geworden?’
‘Ik denk het niet, daarnet toen ik je tegenkwam op straat, was ze net even wakker geworden en toen heb ik haar maar een Valium gegeven. Nu vindt ze het vast geweldig in die koffer.’
Ze lachten.
‘Slik je nog vaak Valium?’
‘Nee,’ zei Alex, ‘maar ik heb het wel altijd bij.’
‘Hoe geraak je eraan?’
‘Je raadt het nooit, maar momenteel ben ik verkoper bij een farmaceutisch bedrijf dat witte producten produceert en één van hun medicijnen die ik aan de man probeer te brengen is een goedkope soort Valium. Geweldig toch?’
De mannen, euforisch door hun durf en gevoel voor humor, naderden nu de koffer waarin hun gespreksonderwerp van het laatste half uur lag.
‘Wat ik je nu zal tonen zul je geniaal vinden.’
Met een snelle beweging van zijn sleutels, ontsloot de auto zich met knipperende stoplichten.
‘Aanschouw...’ kondigde Alex aan en om de spanning op te bouwen liet hij zijn handen uiterst traag naar de knop op de koffer zakken. Hij drukte de knop in en gooide met een ruk de koffer open.
Pedro staarde de koffer in en toen hij het gezicht herkende slaakte hij een kreet van verrassing.
‘Je bent geweldig, Alex, echt geweldig! Dat is toch Marie Vinck, dat lekker lijk uit ‘Loft’?’
Een ogenblik staarden de twee vrienden elkaar aan.
‘Denk jij wat ik denk?’ Vroeg Alex aan Pedro.
‘We vragen vet veel losgeld.’ Antwoordde hij.
‘Inderdaad.’ En met een klap viel de koffer dicht.
Sonnet
met een pint dicht bij de hand,
naar die goudbruine gloed van de
lambrisering aan de wand.
Hij is alleen; de middagstond,
en bij het aanzien van zijn
beeld (tranen glijden naar zijn mond),
vraagt de baas hem wat er scheelt.
"Zij verscheurt mijn hart als Portugese fado,
maar kust de wonden vervolgens tot ze helen;
een tornado in een lijf als El dorado."
De cafébaas lacht maar geeft raad noch commentaar.
Deze liefde is duizenden bladzijden diep
en zijn leven slechts een mop uit de druivelaar.
Uiteindelijk waren ze die bewuste avond afgezien van hun plan om Marie Vinck te ontvoeren en hadden ze haar, nadat ze haar nog een valium gegeven hadden, in haar bloot gat achtergelaten op de Grote Markt onder het standbeeld van Brabo. De volgende dag waren er reeds foto’s van haar te vinden op het internet en het duurde ettelijke suïcidale jaren voor ze opnieuw aan het acteren ging. De daders konden niet gevat worden.
Op een dag jaren na hun ontmoeting hoorde Alex zijn zoontje de trap op kruipen en naar de badkamer komen.
“Papa! Papa! Waar ben je?”
Alex antwoordde niet omdat hij op toilet zat en liever met rust gelaten werd, met een zucht aanschouwde hij dan ook het jongetje toen het de badkamer binnenkwam.
“Donovan,” gebood Alex, “als papa kaka aan het doen is, moet je wachten tot hij klaar is. Begrepen?”
Het ventje keerde op zijn stappen terug, deed de deur achter zich dicht en ging zitten op de grond. Een hele tijd later trok Alex het toilet door en opende de deur. Zijn riem gespend vroeg hij aan zijn zoon wat er zo dringend was.
“Heeft een meneer gebeld en vraagt jou aan telefoon.”
“Waarom zeg je dat nu pas, klein wezen?” De kleine antwoordde met een blik vol onbegrip.
Alex liep naar beneden waar hij de draadloze telefoon van de tafel nam en luisterde, de meneer aan de andere kant van de lijn had natuurlijk al lang opgehangen.
“Heeft die meneer gezegd hoe hij heette?” vroeg Alex aan zijn zoontje.
“Ja.”
“Kom op kleine schurk. Hoe heette hij dan?”
Na diep nadenken probeerde de kleine de naam uit te spreken.
“Pedo was de meneer.”
Alex wipte verbaasd op en vroeg zich meteen ook af wat er Pedro zo vroeg in de morgen bezielde om hem te bellen. Pedro’s nummer zou vast en zeker nog in het telefoonboek van zijn gsm zitten, dat was ook zo, maar enkele tellen later kreeg hij echter zijn moeder aan de lijn. Ze vertelde hem dat Pedro zijn gsm de laatste keer bij haar thuis was vergeten, maar dat hij een vast telefoonnummer had naar hetwelk Alex maar moest bellen. Na nog twee omwegen – het gegeven nummer bleek dat van zijn vorig werk, een telecombedrijf, te zijn, maar daar hadden ze nog ergens zijn telefoonnummer in een map zitten – kreeg hij eindelijk Pedro aan de telefoon.
“Pedro, Alex hier! Wat een heisa om je te bereiken! Ik heb de halve wereld afgebeld. Wat wilde je me zeggen?”
“Dat er tegenwoordig in iedere telefoon een functie zit waardoor je de nummers van de laatste oproepen opnieuw kunt gebruiken, idioot.”
Ze waren ondanks de kindjes en de omzwervingen schijnbaar nog geen haar veranderd.
“Alex, ik belde omdat ik eens wilde spreken over het een en ander. Sinds kort zit ik aan de dop, het enige wat ik heb is mijn pc en de porno die daarop te vinden is en bovendien is m’n vrouw ervandoor.”
“Wat? Euhm, ja, natuurlijk wil ik daarover spreken. Spreek zou zeggen, ik luister.”
Pedro wilde echter het hele verhaal niet over de telefoon uit de doeken doen want het was zijn telefoon niet die hij gebruikte, maar die van zijn Kaap Verdische huisgenoot en die moest dringend zijn grootmoeder bellen. Momenteel woonde hij in Schaarbeek en hij vroeg of Alex niet eens wou afkomen, diezelfde dag nog bijvoorbeeld. Alex antwoordde dat hij dat weekend de kinderen had en dat het niet meteen zou schikken. Na wat aandringen van Pedro had Alex uiteindelijk een babysit gebeld en die met de belofte van ‘een centje meer’ haar plannen doen wijzigen.
Diezelfde avond nog reed Alex aan honderdtachtig in het uur richting Schaarbeek. In een schrale buurt parkeerde hij zijn auto en belde aan bij het gegeven huisnummer. Na een hoop gestommel opende Pedro de deur.
“Alex!”
“Pedro!”
De mannen omhelsden elkaar en keken elkaar vervolgens aan.
“Verdorie, Alex, ik voel me een schooier in jouw bijzijn. Ik neem je niet mee naar binnen want de rotzooi is niet te overzien en ik kan je daarboven enkel geel leidingwater aanbieden en dat is ongepast voor een ordentelijke gastheer. Zou het deze nette heer welvoeglijk in de oren klinken wat verderop in een uitstekend etablissement te dineren?”
Alex stemde in en bestelde later, zoals hij verwacht had te doen, een kleine met mayonaise en satékruiden, een cervela en een pint.
“Dit is een feestmaal, Alex! Laat ons klinken op de wijven en hun konten!”
Ze klonken onder uitbundig gelach en aten.
“Je bent waarlijk marginaal geworden, vriend.” Zei Alex na enkele slokken van zijn pint te hebben genomen. “Zie je hier nu zitten, ik lachte me bijna kreupel toen ik je zag staan in je deuropening met je vieze groene overjas. Precies een holbewoner!”
“het succes is niet iedereen gegund, beste. De laatste jaren zijn mij de meest onmogelijke dingen overkomen en het resultaat daarvan is dat ik nu bij een Kaap Verdiër woon, boven een idioot die kippen houdt in zijn keuken en een toilet heb dat omgekeerd werkt. God waarom hebt Gij mij verlaten?” Pedro sloeg zijn handen en ogen ten hemel, maar zag alleen maar het afbladerende plafond boven zich. Engelen daalden niet neder en dus ging hij maar terug over tot het vertellen van zijn verhaal.
“Waar oh waar begin je te vertellen aan zo’n ingewikkelde historie?”
“Vertel me misschien eerst hoe je dat litteken boven je oog hebt.” Onderbrak Alex Pedro.
“Uitstekend begin! Weet je wat? Ik maak er maar direct een goed verhaal van, des te leuker om te vertellen, des te leuker om naar te luisteren. Goed? Ondertussen bestel jij nog wat bier en gaan we ons hartelijk bezatten, vriend van me.”
Met een lach die de heimwee naar hun studententijd verraadde keurde Alex Pedro’s voorstel goed. Hij ging om nog vier blikken bier en zei vervolgens: “Gaat u gang.”
Pedro vertelde: “Er was eens een forse kerel, Ibrahim genaamd, die iedere dag na het werk dat hij verrichtte in een tuinstoelfabriek, nog enkele pintjes ging drinken in zijn stamcafé. Volgens zijn geloof was het hem verboden alcohol te drinken, maar in Mekka konden die rotfistels hun stront eten, want voor geen geld in de wereld zou hij ooit gaan knielen op een muffe voetenmat. Zijn vader, een verwoede moslim, had hem zijn hele jeugd met een bezem geslagen en daarvan getuigden de vele kale plekjes tussen zijn donkere haren. Als hij weer eens furieus toekwam in het café, kloppende aders op zijn voorhoofd en gebalde vuisten, wist Nadine al wat er loos was: iemand had hem te lang in de ogen gekeken op een manier die Ibrahim niet beviel. Schoppend tegen vuilnisbakken, autospiegels en deurbellen aftrekkend stormde hij dan naar “De Kashba” waar hij wist dat Nadine hem zou kalmeren. Dat deed zij door het café even over te laten aan haar oude moeder, hem mee naar boven te nemen en zich vervolgens helemaal over te geven aan zijn paarsgeaderde slurf die Ibrahim liefkozend ‘al Saifullah’ noemde, iets wat zoveel betekende als ‘het zwaard van God’. Nadine liet zich de krachtige wellust van Ibrahim welgevallen en het duurde vaak een groot uur eer zij met gloeiende wangen terug achter haar toog stond. Zij was maagd gebleven tot Ibrahim op haar tweeëntwintigste in haar leven was gekomen. Zij had immers nog geen vriendje gehad daarvoor. Toen ze tien was, had ze op een avond haar moeder – een fervent breister – aan het schrikken gebracht op de donkere overloop en in panische angst had die moeder vervolgens een breinaald in het oog van haar dochtertje geplant, iets waarvoor ze trouwens nog steeds spijt heeft. Het enige wat zij Nadine sindsdien nog verboden had was om ooit met ‘die Moor’ te trouwen; hetgeen zij ook nooit van plan was geweest. Ibrahim zag echter geen graten in het ooglapje, maar nam haar toch het liefst langs achteren.
Op een dag zat ik dus in “De Kashba” aan de toog lol te trappen met enkele stamgasten toen ik werd uitgedaagd om de bh-maat van Nadine te schatten. Ik vroeg haar of ik even mocht voelen en zij ging daarmee akkoord. Op het moment dat ik, met haar mooi gevormde borsten in mijn handen, ‘90C’ riep, kwam Ibrahim binnengestormd met kloppende aders op zijn voorhoofd. Hij zag hoe ik mijn handen snel wegtrok van Nadine haar borsten en werd daarbij zo woest dat hij Polydore, een oudere man die toevallig het dichtst bij hem zat, eerst een vuistslag in het gezicht verkocht en vervolgens naar een barkruk greep en mij daarmee begon te bewerken. Van de rest van het voorval weet ik niets meer. Ik werd wakker thuis in de zetel en zag Mai-ho, mijn vrouwtje, op een stoel naast de zetel zitten. Ze keek me aan en ook haar gezicht stond bont en blauw. Blijkbaar was zij diezelfde dag uitgegleden in de badkamer en met haar gezicht op de lavabo terechtgekomen. Alles bedaarde tot ik een week later de politie over de vloer kreeg met een melding van partnergeweld. De roddelwijven in het poetsbedrijf waar Mai-ho werkte hadden natuurlijk zitten gissen naar de oorzaak van haar geblutste gezicht en in combinatie met het verhaal dat ze hen ooit had verteld over die nacht – wel, die nacht van Marie Vinck, toen ze vier uur op mij had zitten wachten in de auto – dachten die takkewijven natuurlijk meteen aan huiselijk geweld. Ik vertelde dus aan de politie dat het allemaal berustte op misverstanden, dat er geen haren in de boter zaten en we trouwens van plan waren om te trouwen. De politie feliciteerde ons – de hypocriete klootzakken – maar enkele dagen later stonden er twee venten van de cel schijnhuwelijken op de drempel en zij geboden Mai-ho om mee te komen naar het bureau waar ze ondervraagd werd. Bleek uiteindelijk dat dat kutwijf geen twintig was, zoals op haar valse visum vermeld stond toen ik haar meenam uit spleetoogland, maar slechts veertien. Op de koop toe had ze het verhaal verzonnen dat ik haar ‘gekocht’ had in Maleisië en zo ook betaald had voor dat visum. Ze was dus minderjarig geweest toen ik haar leerde kennen en onder het mom van mensenhandel en bescherming van de rechten van het kind en de vrouw en bullshit, kreeg ze tijdelijk en wettig asiel in België. In het O.C.M.W. maakten ze haar op één of andere manier duidelijk dat ze aan een rechtszaak wegens strafbare feiten met seksueel minderjarigen grof geld kon verdienen. Die zaak werd meteen aangespannen, ik verloor natuurlijk en moest achttien maanden de cel in. Na zes maanden kwam ik al vrij, maar ik hoest nog steeds een hoop geld op voor dat Aziatisch scharminkel. Ik moest mijn huis verkopen in Tessenderlo en hier komen wonen als een voddenman.”
Met een ongelovige uitdrukking op zijn gezicht staarde Alex naar zijn vriend die nu verder aan het eten was.
“Kijk zo onnozel niet, en slik je frieten door, ’t is geen gezicht.”
Alex besefte dat hij de hele tijd met open mond had zitten luisteren en slikte door.
“Wat ben je nu van plan?” vroeg Alex.
“Ik ben achter de adressen gekomen van Mai-ho’s collega-poetsvrouwen en heb die een tijdje bespioneerd. Zodoende kwam ik te weten dat er eentje een sm-tuinhuisje staan heeft met opnameapparatuur en een andere een pruik draagt. Enkele compromitterende foto’s gemaakt, op internet gegooid, bij de buren in de bus gestopt en van die wraakgevoelens was ik dan ook verlost.”
Alex proestte het uit en stukjes friet kwamen daarbij over de tafel te liggen. “Je bent ongelofelijk! Nog maar net uit de gevangenis en opnieuw ben je bezig met riskante zaakjes.”
“Ach ja, om wat bij te verdienen heb ik trouwens een site gemaakt waar geile rukkers na betaling mij en Mai-ho kunnen zien neuken in twaalf natuurreservaten over heel de wereld, waaronder ook de Hoge Venen. Uitstekende home made porno zou ik zeggen. 'www.yurriundchinchi.com' heet de site. Als je zin hebt moet je maar eens kijken, zo doe je ook eens aan liefdadigheid.”
Alex kon het wonderlijke verhaal nog steeds niet geloven en dronk zijn tweede pintje op. Voor hem zat zijn jeugdvriend als een wat morsige burger, doodleuk zijn frietjes te eten terwijl hij in feite een prettig gestoorde imbeciel was.
“Goed,” zei Pedro nadat hij zijn laatste friet naar binnen had gewerkt, “op naar de hoeren! Jij trakteert!”
De vrienden rekenden af en liepen lachend de nacht in.
| Matthijs |
|
|
|







